Een kleine hond past in een appartement, gaat mee in de trein en kost minder aan voer. Allemaal waar. Maar het hardnekkigste misverstand over kleine honden is dat ze weinig energie hebben. Een jack russell van zeven kilo loopt de meeste labradors eruit, en een dwergpinscher die zich verveelt maakt meer geluid dan een deense dog.
Wat klein zijn wél oplevert
- Ruimte. Een kleine hond heeft binnen minder plek nodig en is makkelijker mee te nemen.
- Kosten. Voer, medicijnen en de dierenarts rekenen deels per kilo. Trimmen kan dat verschil overigens weer opheffen.
- Levensduur. Kleine rassen worden gemiddeld twaalf tot zestien jaar oud, grote rassen acht tot twaalf. Dat is een groot verschil, in beide richtingen.
- Beheersbaarheid. Een hond die je desnoods kunt optillen, geeft rust in drukke situaties.
Waar kleine rassen om vragen
Evenveel opvoeding. Gedrag dat je bij een grote hond nooit zou accepteren, laat je bij een kleine makkelijk lopen: op mensen springen, blaffen naar de deur, grommen bij het mandje. De hond leert daardoor dat het werkt. Dit is de belangrijkste reden dat kleine honden een reputatie hebben; het zit in de opvoeding, niet in het formaat.
Het gebit. Kleine honden hebben evenveel tanden in een kleinere kaak. Tandsteen en tandvleesontsteking komen daardoor veel vaker voor, met gebitsbehandelingen onder narcose tot gevolg. Poetsen vanaf de eerste week scheelt honderden euro's later.
De knieën. Patellaluxatie, een knieschijf die uit de groeve schiet, komt bij kleine rassen relatief veel voor. Vraag de fokker of de ouderdieren erop zijn onderzocht.
Voorzichtigheid met kleine kinderen. Een hond van drie kilo is kwetsbaar voor een vallende peuter, en een hond die zich niet kan terugtrekken, gaat op een gegeven moment happen. Zie ook hond en jonge kinderen.
Vier groepen, vier karakters
De gezelschapshonden
Cavalier king charles spaniël, maltezer, bichon frisé, bologneser. Gefokt om gezelschap te houden, dus ze zijn aanhankelijk en meestal makkelijk in de omgang met bezoek. Keerzijde: ze kunnen slecht alleen zijn. Werk je vijf dagen buiten de deur, dan is dit niet de categorie waarin je moet zoeken. Bij de cavalier hoort bovendien een serieuze hartaandoening (mitralisklep) die je in de gezondheidsonderzoeken van de ouders terug moet zien.
De terriërs
Jack russell, west highland white, dwergschnauzer, border terriër. Gefokt om zelfstandig op ongedierte te jagen: onverschrokken, energiek en eigengereid. Dit zijn geen schoothonden. Ze hebben werk nodig, in de vorm van zoekspelletjes, training of sport. Krijgen ze dat niet, dan verzinnen ze het zelf, en dat is zelden wat jij in gedachten had.
De dwergvarianten van grotere rassen
Dwergpinscher, dwergkeeshond, dwergpoedel. Het karakter van het oorspronkelijke ras in een klein jasje: de dwergpoedel is nog altijd een intelligente werkhond die leren leuk vindt.
De kortsnuiten, met een voorbehoud
Mopshond, Franse bulldog en Boston terriër zijn populair en vaak lief, maar de korte schedel brengt ademhalingsproblemen mee: snurken, snel oververhit raken, moeite met inspanning en soms een operatie aan neusgaten of zacht gehemelte. Wil je zo'n hond, kies dan nadrukkelijk voor een fokker die op open neusgaten en een langere snuit selecteert, en laat je niet leiden door hoe schattig een plat gezichtje is. Een hond die niet kan ademen, is geen gezonde hond.
Klein en rustig, kan dat?
Ja, maar zoek dan op karakter en niet op formaat. Rustiger kleine rassen zijn de cavalier, de shih tzu, de bologneser en de oudere asielhond van welk ras dan ook. Een volwassen hond uit het asiel is voor een rustig huishouden vaak de beste keuze, juist omdat je zijn energieniveau ziet in plaats van hoopt; dat weegt zwaarder dan de rasbeschrijving. Die afweging staat uitgebreider in asiel of fokker.